ZOEK

Aan het werk met re-integratieondersteuning : driemeting uitstroom naar werk, beschrijving , belangrijkste uitkomsten

L. Oostrom, S. Dalm, K. Geertjes ...[et al.], Centrum voor Beleidsstatistiek, Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
CBS, Den Haag
nov 2011 Rubriek: Re-integratie

Wat is de effectiviteit van re-integratiemiddelen? Hoeveel procent van de personen met een uitkering of van de niet-uitkeringsgerechtigden (NUG) die re-integratieondersteuning krijgen slaagt erin om weer aan het werk te gaan?
In dit onderzoek is net als in voorgaande jaren gekeken naar drie deelpopulaties. Een belangrijke onderzoekspopulatie is de groep van personen die binnen de uitkerings- of NUGperiode voor het eerst een re-integratietraject starten. Voor deze mensen is vooruit gekeken en bepaald of zij 24 maanden na de start van het traject uitstromen naar werk. Daarnaast zijn er ook analyses gedaan naar personen die een baan starten vanuit de uitkerings- of NUG-periode. Voor deze mensen is teruggekeken en bepaald of zij in de 12 maanden voorafgaand aan de start van de baan re-integratieondersteuning hebben gekregen.
Met de invoering van de 'Wet investeren in jongeren' (WIJ) en de nieuwe 'Wet Werk en Arbeidsondersteuning jonggehandicapten' (Wajong) is er met name veel veranderd voor de jongeren (tot 27 jaar), daarom is in dit rapport ook specifiek op deze groep ingezoomd. In 2008 is 1 op de 12 uitkeringsgerechtigden voor de eerste keer in de desbetreffende uitkeringsperiode begonnen aan een re-integratietraject. Personen met een werkloosheidsuitkering (WW) starten in 2008 het vaakst een traject (17 procent). Daarnaast begon 14 procent van de personen met een bijstandsuitkering en 2 procent van de arbeidsongeschikten (AO) aan een re-integratietraject. Leeftijd is hierbij een belangrijke factor. Dit zien we ook terug in de resultaten, 45-plussers hebben minder vaak een gestart traject.
Uiteindelijk vindt iets meer dan de helft (52 procent) van de uitkeringsgerechtigden en NUG'gers binnen 24 maanden na de start van de re-integratieondersteuning een baan. We zien dat het succespercentage vanaf 2006 afneemt. Belangrijk om te weten is dat het succespercentage per type uitkering behoorlijk verschilt. Net als voorgaande jaren maken de WW'ers de meeste kans, van hen vindt 61 procent binnen 24 maanden na de start van de re-integratieondersteuning een baan. AO'ers en bijstandsontvangers hebben duidelijk meer moeite om aan de slag te gaan.
Van alle gestarte trajecten gaat 15 procent naar jongeren tot 27 jaar. Jongeren starten re-integratie vaak vanuit de bijstand. Ongeacht de uitkeringspositie, vinden jongeren met een re-integratietraject vaker een baan dan 27-plussers (64 versus 50 procent). Wanneer niet-westerse allochtonen een traject starten, zijn ze bijna even succesvol als autochtonen in het vinden en behouden van een baan.
In 2010 zijn er bijna 4,8 miljoen gestarte banen, 11 procent van de banen werd gestart door iemand die daarvoor een uitkering ontving of NUG'ger was. Dit waren vooral personen met een WW-uitkering. Meer dan de helft (54 procent) van de gestarte banen vanuit een uitkerings- of NUG-periode is zonder re-integratieondersteuning ontstaan. Als we de mensen die een baan starten nadat ze re-integratieondersteuning hebben gekregen afzetten tegen het totale aantal gestarte banen is er bij iets minder dan vijf procent sprake geweest van re-integratieondersteuning.
Bijna de helft van de personen die in 2010 een baan start vanuit de uitkering of NUG heeft daarna geen uitkering meer. Voor de gestarte banen in 2009 is de duurzaamheid bepaald. Ruim 3 van de 4 gestarte banen in 2009 van personen met een uitkering- of NUG-periode liep minstens 6 maanden.
Iets minder dan een kwart (22 procent) van de gestarte banen in 2010 werd opgevuld door jongeren. Jongeren starten vaker een baan zonder re-integratieondersteuning. Het aandeel gestarte banen vanuit de WW neemt toe onder jongeren.
Bron: rapport; bewerking RWI 
 
Naar het rapport