ZOEK

Startbijeenkomst RWI (Jacques Schraven)

31|01|2002

Inleiding ter gelegenheid van de startbijeenkomst van de Raad voor Werk en Inkomen.

Mij is gevraagd om in een kort statement aan te geven wat VNO-NCW verwacht van de Raad voor Werk en Inkomen (de RWI). Aan dit verzoek voldoe ik graag. Daarvoor heb ik een aantal redenen. Op de eerste plaats waren de onderhandelingen over de uitvoering van de sociale zekerheid mijn vuurdoop in de polder. Kort na mijn aantreden werden de sociale partners geconfronteerd met het besluit van de politiek om een unaniem SER advies niet over te nemen. Een duidelijk voorbeeld van het politieke primaat in dit land. Of het ook geleid heeft tot een beter systeem betwijfel ik zeer, maar de toekomst zal het leren. In ieder geval is het duidelijk dat de politiek voor het gekozen uitvoeringstelsel de exclusieve verantwoordelijkheid draagt. Gelukkig hebben wij met de toenmalige minister van SZW, Klaas de Vries, nog wel overeenstemming kunnen bereiken over een gezamenlijk adviesorgaan van beperkte omvang, maar met een gezaghebbende stem. 





Mr. J.H. Schraven, voorzitter Vereniging VNO-NCW:

'Ik verwacht van de RWI, dat ze niet alleen een goede transparantie van de private reïntegratiemarkt aanbrengt, maar ook transparantie in de vele opleidingsmogelijkheden, die er landelijk en regionaal zijn.'

De RWI gaat nu van start in een arbeidsmarkt die volledig gekanteld is en met een SUWI-wetgeving die weliswaar op 1 januari inwerking is getreden, doch waarvan de uitvoering nog volop in reorganisatie is. Ik heb dan het oog op de twee publieke mastodonten: het Centraal Orgaan Werk en Inkomen (COWI), waaronder de Centra voor Werk en Inkomen vallen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), waaronder de samengevoegde uvi's ressorteren. Daarnaast hebben gemeenten, die ook in de RWI zijn vertegenwoordigd, nieuwe taken erbij gekregen, zoals het toeleiden van herintreders naar de arbeidsmarkt.

De arbeidsmarkt is omgeslagen van aanbodgericht naar vraaggericht. Daarbij hoort een omslag van uitkeringsinstanties, die uitkerings- c.q. afkeuringsgericht zijn, naar organisaties die reïntegratiegericht zijn. Het zal een grote opgave zijn die cultuurslag te maken. Ik heb daar mijn zorgen over. De nieuwe Raad voor Werk en Inkomen zal adviseren over de toekenning van middelen ten behoeve van deze reintegratie en zal ook over het te voeren arbeidsmarktbeleid in algemeen zin gevraagd en ongevraagd adviezen uitbrengen aan de minister van SZW.

Daarbij is van belang de afstemming van de werkzaamheden van de RWI met die van de SER. De SER adviseert breed op het hele gebied van het sociaal-economisch beleid. Een onderdeel daarvan is het arbeidsmarktbeleid. Op dat terrein wordt de RWI een relevante medespeler van de SER, waarbij de RWI ook specifieker kan adviseren dan de SER. De SER opereert vanuit perspectieven op de langere termijn, terwijl de RWI dat op de kortere termijn doet (jaarlijks beleidskader). Ik heb er vertrouwen in, dat de RWI en de SER tot een goede samenwerking komen, ook door de bilaterale contacten van de beide voorzitters, omdat hier de uitdaging voor beide organisaties ligt elkaar aan te vullen en te versterken. Ook is het een goede zaak, dat de gemeenten in de RWI zijn vertegenwoordigd, omdat het grootste deel van de werklozen met een afstand tot de arbeidsmarkt en de herintreders onder hun verantwoordelijkheid vallen en sociale partners in de RWI de gemeenten behulpzaam kunnen zijn met suggesties hoe gemeenten sociale partners kunnen verleiden om de vacatures aan te bieden voor deze groepen.

Van de minister van SZW verwacht ik, dat hij er nauw op zal toezien dat het Centraal Orgaan Werk en Inkomen (COWI) respectievelijk het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) zorg dragen voor een adequate informatievoorziening aan de RWI, teneinde deze in staat te stellen tijdig met verantwoorde beleidsvoorstellen over de arbeidsmarkt richting minister van SZW en sociale partners te kunnen komen.

Voorts verwacht ik van de RWI, dat ze niet alleen een goede transparantie van de private reïntegratiemarkt aanbrengt, maar ook transparantie in de vele opleidingsmogelijkheden, die er landelijk en regionaal zijn. Want één ding staat vast: het zal vooral het middel van scholing/werkervaring zijn dat ervoor moet zorgen, dat velen de weg naar de arbeidsmarkt weer kunnen vinden. De Raad heeft een boeiende positie, omdat zij verkeert op het snijvlak van publiek en privaat. Daarmee kan de Raad goed inzicht verwerven in de verhouding en de betrekkingen van de private reïntegratiemarkt met de twee publieke instellingen, het COWI en het UWV.

Bovendien bevordert de Raad sectorale initiatieven van werkgevers en werknemers, die smeerolie kunnen zijn bij de matching van vraag en aanbod. De regionale platforms, in ieder geval bestaande uit vertegenwoordigers van gemeenten, werkgevers en werknemers, kunnen daarbij een brug slaan tussen het gemeentelijke werkgelegenheidsbeleid en het sectorale arbeidsmarktbeleid. De door de Raad ontworpen subsidieregeling, de Stimuleringsregeling Vacaturevervulling door Werklozen en met werkloosheid bedreigde Werknemers, kortweg SVWW' is een belangrijk instrument om dat te bevorderen. Ik heb daar hoge verwachtingen van, met name omdat in de huidige arbeidsmarkt de nadruk zal moeten liggen op geleiding van werk naar werk, ook over de sectoren heen. Met het oog hierop wil ik nog eens bij de minister van SZW onderstrepen, dat juist de groepering van met ontslag bedreigden werknemers een belangrijke groep is om daarmee op een snelle en adequate manier vacatures te kunnen vervullen. Voor de werklozen zelf zijn er immers al voldoende regelingen bij gemeenten en UWV aanwezig. Het is de RWI die juist in dit gat kan springen door relaties te onderhouden met de regionale platforms arbeidsmarktbeleid, waarin sociale partners op regionaal niveau tot scholingsinitiatieven kunnen komen. De Raad kan op deze manier succesvol de kloof tussen uitkering en werk overbruggen.

Voorzitter, ter afsluiting, de Raad is weliswaar op 1 januari jl. formeel van start gegaan, maar er is reeds meer dan een jaar geoefend in de Commissie ter voorbereiding van de Raad voor Werk en Inkomen. Gezien onze ervaringen daarin en de wijze waarop de geledingen met elkaar omgaan, heb ik er alle vertrouwen in dat de Raad voor Werk en Inkomen klaar is om de nieuwe uitdagingen aan te gaan. Ik wens de Raad daarmee succes toe.